99
Nederlands (Fach) / Appendix I (Lektion)
Anzeige
- anbieten aanbieden- bood an - boden aan - heeft aangeboden
- antun aandoen - deed aan - deden aan - heeft aangedaan
- angeben aangeven - gaf aan - gaven aan - heeft aangegeven
- anhaben aanhebben - had aan - hadden aan - heeft aangehad
- ankommen aankomen - kwam aan - kwamen aan - is aangekomen
- annehmen aannemen - nam aan - namen aan - heeft aangenomen
- ansprechen aanspreken - sprak aan - spraken aan - heeft aangesproken
- backen bakken - bakte - bakten - gebakken hebben
- Anzeige
- beginnen beginnen begon begonnen begonnen zijn
- verstehen begrijpen begreep begrepen begrepen hebben
- bergen bergen borg borgen geborgen hebben
- bewegen bewegen bewoog bewogen bewogen hebben
- besuchen bezoeken bezocht bezochten bezocht hebben
- bieten bieden bood boden geboden hebben
- beißen bijten beet beten gebeten hebben
- binden binden bond bonden gebonden hebben
- bleiben blijven bleef bleven gebleven zijn
- brechen breken brak braken gebroken hebben,zijn
- bringen brengen bracht brachten gebracht hebben
- denken denken dacht dachten gedacht hebben
- Anzeige
- machen doen deed deden gedaan hebben
- tragen dragen droeg droegen gedragen hebben
- drängen dringen drong drongen gedrongen hebben,zijn
- trinken drinken dronk dronken gedronken hebben
- tauchen duiken dook doken gedoken hebben,zijn
- essen eten at aten gegeten hebben
- gehen gaan ging gingen gegaan zijn
- genesen genezen genas genazen genezen hebben,zijn
- geben geven gaf gaven gegeven hebben
- hängen hangen hing hingen gehangen hebben
- haben hebben had hadden gehad hebben
- helfen helpen hielp hielpen geholpen hebben
- heißen heten heette heetten geheten hebben
- halten houden hield hielden gehouden hebben
- wählen kiezen koos kozen gekozen hebben
- Anzeige
- sehen kijken keek keken gekeken hebben
- sehen kijken keek keken gekeken hebben
- klettern klimmen klom klommen geklommen hebben,zijn
- kommen komen kwam kwamen gekomen zijn
- kaufen kopen kocht kochten gekocht hebben
- bekommen krijgen kreeg kregen gekregen hebben
- können kunnen kon konden gekund hebben
- lachen lachen lachte lachten gelachen hebben
- lassen laten liet lieten gelaten hebben
- lesen lezen las lazen gelezen hebben
- lügen liegen loog logen gelogen hebben
- liegen liggen lag lagen gelegen hebben
- laufen lopen liep liepen gelopen hebben,zijn
- müssen moeten moest moesten gemoeten hebben
- mögen mogen mocht mochten gemoogd hebben
Anzeige